In het rapport  Studieuitval in het hoger onderwijs wordt verslag gedaan van de kenmerken, de positie en het toekomstperspectief van studiestakers in het hoger onderwijs.

(1) Hoe ziet de groep studiestakers er qua samenstelling uit?

(2) In hoeverre verschilt het profiel van deze studiestakers van de groep studerenden?

(3) Wat zijn de belangrijkste redenen van uitval en wat is gedaan om de uitval te voorkomen?

(4) Wat zijn de huidige activiteiten van de studiestakers?

(5) Wat is het toekomstbeeld van de studiestakers?

Opzet

In het kader van de Studentenmonitor Hoger Onderwijs zijn alle uitvallers aangeschreven die tussen 1 oktober 2004 en 1 oktober 2005 zonder diploma het hoger onderwijs hebben verlaten en de afgelopen twee jaar (1 oktober 2005 en 1 oktober 2006) geen inschrijving in het hoger onderwijs hebben gehad. In totaal vulden 4.210 uitvallers de vragenlijst in (3.553 uit het hbo en 657 uit het wo). We vatten de belangrijkste uitkomsten samen aan de hand van de geformuleerde onderzoeksvragen.

Achtergrondkenmerken van studiestakers
Uitval in het hbo is niet alleen in aantal, maar ook in aandeel groter dan in het wo: 64 procent van de studerenden studeert in het hbo, onder de uitvallers is 84 procent afkomstig uit het hbo. Er is ook verschil naar geslacht; uitval onder mannen is relatief groter dan onder vrouwen. In het wo is de verdeling van de uitval over de sectoren onevenwichtiger dan in het hbo. In het hbo is de uitval in vergelijking met het aantal studerenden proportioneel nagenoeg gelijk verdeeld over de sectoren. In het wo is de uitval (relatief) klein bij Gezondheidszorg en Techniek en (relatief) groot bij Taal & Cultuur en Recht. Het percentage uitval onder deeltijders is kleiner dan onder voltijders.
De leeftijd van studiestakers in het hbo is lager dan gemiddeld; in het wo hoger dan gemiddeld. Dit heeft ook te maken met het moment van uitstroom. Studiestakers in het hbo stoppen vooral in of direct na het eerste jaar; in het wo vallen studenten veel later in de opleiding uit. Verschil naar sociaaleconomische status zien we niet in de totale uitvalgroep, maar wel binnen het hbo en wo. In het wo vallen verhoudingsgewijs veel studenten uit de lagere milieus uit; in het hbo is de groep studenten uit hogere milieus relatief groot. Wel vallen studenten waarvan de ouders geen opleiding hebben genoten in het hoger onderwijs (de zogenaamde ‘eerste generatie hoger onderwijs’) iets vaker uit. Het percentage gehandicapten is onder uitvallers hoger dan onder studerenden. Uitvallers wonen vaker zelfstandig, zijn vaker gehuwd en/of hebben kinderen.

Profiel van studiestakers
Als al deze factoren in samenhang worden bestudeerd, kunnen we concluderen dat de kans op uitval groter is voor de volgende groepen (vanwege de bovenproportionele hoge uitval in het hbo is het profiel van deze groep hierin duidelijk dominant):

  • studenten met kinderen; gehuwde/samenwonende studenten; zelfstandig wonende studenten; niet-westers allochtoon; studenten waarvan de ouders geen opleiding in het hoger onderwijs hebben genoten; studenten met een handicap of beperking; studenten uit hogere sociaal milieus; jonge studenten; mannen; studenten in het hbo.

Redenen en voorkomen van studieuitval
De topdrie van doorslaggevende uitvalredenen voor de uitvallers uit het hbo wordt gevormd door persoonlijke omstandigheden (22%), gebrek aan motivatie (16%) en op een gedeelde derde plaats een verkeerde studiekeuze en onvrede met de manier van onderwijs geven (15%). Gebrek aan motivatie (25%), persoonlijke omstandigheden (23%), een verkeerde studiekeuze (10%) en het vinden van een baan (10%) speelden vooral in het wo een beslissende rol.
Binnen deze bepalende redenen waren de volgende verdiepende aspecten van betekenis:

  • persoonlijke problemen;
  • geen aansluiting bij interesse;
  • geen tijd/gelegenheid om te studeren;
  • past niet bij toekomstbeeld;
  • verwachtingen onduidelijk;
  • zorgtaken thuis;
  • verkeerd beeld van de opleiding;
  • beroepsperspectieven spreken niet aan;
  • studenten worden aan hun lot overgelaten;
  • slechte kwaliteit studie;
  • slechte inhoud;
  • slechte organisatie;
  • zich niet thuis voelen binnen de opleiding.

Het zijn vooral de studiestakers zelf en hun ouders die een poging hebben gedaan om de uitval te voorkomen. Opvallend minder vaak worden de studiebegeleiders (hbo 16%; wo 11%), studentdecanen (hbo 14%; wo 6%) en docenten (hbo 11%; wa 5%) genoemd. Van de uitvallers geeft 63 procent (hbo) en 66 procent (wo) aan dat er vanuit de instelling geen enkele inspanning is verricht om de uitval te voorkomen.

Huidige activiteiten van studiestakers
Van studiestakers uit het hbo heeft 80 procent inmiddels een betaalde baan; in het wo is dit 75 procent. Meer dan de helft van hen heeft een vaste aanstelling. In ruim de helft van de gevallen (58%) past de baan helemaal of in elk geval een beetje bij de gestaakte studie.
Doorgaans is zowel de arbeidsmarktparticipatie alsook de aansluiting tussen werk en studie het best voor hbo-uitvallers met een mbo-vooropleiding; voor havisten het slechtst.
De meeste studiestakers uit het hbo hebben een baan op mbo-niveau (dit geldt met name voor degenen met een mbo-vooropleiding); het grootste deel van de uitvallers uit het wo hebben een baan op hbo-niveau. Voor studiestakers uit het wo geldt dat het baanniveau beter is naarmate zij langere tijd hebben doorgebracht op de universiteit. Voor de meeste uitvallers biedt het werk mogelijkheden zich verder te scholen: via het werk zelf (18%), via cursussen (36%) of via een externe opleiding (24%).

Toekomstbeeld van de studiestakers
Ruim een kwart van de studiestakers gaat een opleiding volgen buiten het hoger onderwijs. Van de hbo’ers vertrekt bijna de helft van deze groep naar het mbo; van de wo’ers onder hen gaat een derde naar het particuliere onderwijs. Van alle uitvallers verwacht bijna 60 procent in de toekomst weer een studie in het hoger onderwijs te gaan volgen; ruim 40 procent stopt definitief met studeren in het hoger onderwijs. Eén op de vijf studiestakers denkt de oude opleiding in de toekomst weer te vervolgen; 37 procent switcht van studie.
Is men gestopt vanwege het vinden van een baan, vanwege de zwaarte van de opleiding of omdat men een opleiding buiten het hoger onderwijs volgt, dan is de kans gering dat er een herintrede plaatsvindt in het hoger onderwijs.
Stopte men vanwege het verlopen van het recht op studiefinanciering of vanwege persoonlijke omstandigheden, dan is de kans groot dat het studiestaken tijdelijk is. Dit geldt ook voor studenten die hun studie staakten vanwege een handicap of beperking. Is men gestopt vanwege een verkeerde studiekeuze, dan kiest 60 procent voor een andere opleiding in het wo.

Wartenbergh, F. en Broek, A. van der.(2008). Studieuitval in het hoger onderwijs: Achtergrond en oorzaken.
Onderzoek in opdracht von het ministerie van OCW. Nijmegen: ResearchNed